Uitti/Griffiths – There is still time

Desolate celloklanken en een eenzame stem. Zo zou men There is still time kunnen samenvatten. Celliste Frances-Maria Uitti had een project als dit al jaren op haar verlanglijst staan. In schrijver Paul Griffiths vond ze de perfecte partner. Zijn soms heldere, dan weer hese stemgeluid sluit naadloos aan bij de klanken van Uitti’s cello, haar melancholieke, minimalistische melodieën creëren de perfecte context voor Griffiths gedichten.

In 1997 speelde Uitti een belangrijke rol tijdens een festival rond Giacinto Scelsi. Uitti had nauw samengewerkt met deze Italiaanse componist en had menigmaal een lans gebroken voor zijn muziek. In verband hiermee werd zij geïnterviewd door Paul Griffiths, in die tijd recensent van de New York Times. Uitti kende Griffiths literaire werk, zij had zijn boek The lay of Sir Tristam met veel plezier gelezen. Het interview was de eerste echte kennismaking. In de jaren die volgden hielden Uitti en Griffiths contact.

Op het moment van het interview was Griffiths al enige jaren bezig met een reeks gedichten, waarvan de woorden afkomstig waren uit Shakespeares Hamlet. Deze gedichten bleken zich uitstekend te lenen voor Uitti’s ‘scenes voor spreekstem en cello‘. De woorden van There is still time zijn bijna allemaal afkomstig uit de monologen van Ophelia, die van Shakespeare slechts 482 woorden in de mond gelegd krijgt. Griffiths maakt met deze relatief beperkte woordenschat een totaal nieuw werk, waarin de anonieme verteller opmerkelijk veel kan zeggen. Griffiths zelf zegt hierover in een interview: “Wat voor mij zo interessant was, is het idee dat iemand min of meer opgesloten zit, niet in staat om andere woorden te gebruiken, en probeert zich te uiten, maar daarbij constant tegen de muur aan loopt. Iemand die probeert zichzelf zo helder mogelijk uit te drukken, maar steeds wordt tegengehouden.”

De cellomuziek van Uitti reageert op de tekst. Ze is op dezelfde wijze gestructureerd, maar laat ook ruimte voor improvisatie. Uitti gebruikt verschillende instrumenten en technieken, waaronder de door haarzelf ontwikkelde speelwijze met twee strijkstokken, om verschillende klankkleuren en toonhoogtes tegen elkaar uit te kunnen spelen. Ondanks de vele sterke contrasten behoudt de muziek haar eenheid, mede door het terugkeren van korte thema’s en het gebruik van één ‘toonsoort’.

Een eenzame stem en desolate celloklanken. Paul Griffiths spreekt, zucht, fluistert, declameert en schreeuwt zijn gedichten. Frances-Maria Uitti antwoordt en ondersteunt de tekst met haar instrument. Er is geen sprake van een stem met cellobegeleiding, noch volgt de cello zonder meer de stem. Het is veeleer alsof het verhaal door twee personen wordt verteld. Elk vanuit een eigen perspectief, elk met zijn eigen middelen.