Tavener – The veil of the temple

Een tipje van de sluier

And thou shalt make a vail of blue, and purple, and scarlet, and fine twined linen of cunning work: with cherubims shall it be made [...] And thou shalt hang up the vail under the taches, that thou mayest bring in thither within the vail the ark of the testimony: and the vail shall divide unto you between the holy place and the most holy. (Exodus 26:31-33)

En aldus werd de ontmoetingstent ingericht, opdat de ark des verbonds, een acaciahouten kist met daarin de stenen platen met de wetsvoorschriften, immer afgescheiden zou zijn van de gebedsruimte. De sluier vormde een grens tussen de menselijke en de goddelijke wereld; een grens die slechts gewijde priesters mochten overschrijden. Generaties later, toen de eerste Joodse tempel werd gebouwd, kreeg de ark des verbonds een plaats in de achterzaal, onder de vleugels van de engelen en buiten het bereik van de mensen. Vele malen is de tempel sindsdien verwoest en weer opgebouwd, maar de ark is nimmer teruggevonden.

Tijdens de twaalfde en dertiende eeuw wisselde Jeruzalem constant van eigenaar. Zowel de Christenen als Moslims claimden de stad als heilige plaats en bedevaartsoord, en waren bereid hun aanspraak met wapengekletter kracht bij te zetten. De Joodse gemeenschap had, verspreid als zij was, weinig in te brengen. Om Jeruzalem te kunnen veroveren en behouden en de pelgrims te kunnen beschermen, werden binnen de Roomse kerk monniken opgeleid tot ridder, of ridders tot monnik gewijd. Eén van die orden werd bekend onder de naam “de orde van de Tempel”.

De tempelridders waren de gezworen beschermers van het Heilige Land. Hoewel hun taak buiten Europa lag, hebben de tempeliers vooral hun sporen achtergelaten in Frankrijk en Engeland. De orde is verdwenen, maar de ronde Tempelkerk met haar tombe is tot op de dag van vandaag in Londen te bezichtigen. Voor deze kerk componeerde sir John Tavener zijn Veil of the Temple.

John Tavener, geboren in 1944, studeerde compositie bij Berkley en Lumsdaine, en bleek al snel een veelbelovend talent. Hij blonk vooral uit in componeren en improviseren. De verplichte oefeningen in contrapunt, analyse en muziektheorie lagen hem minder. Zijn jeugdwerken oogsten zoveel bijval dat hij al op zijn vierentwintigste een aanstelling kreeg als compositiedocent op het Trinity College. In datzelfde jaar vroeg Benjamin Britten hem een opera te schrijven voor het Royal Opera House. Niets leek een glansrijke carrière in de weg te staan. De jonge Tavener echter, kampte steeds vaker met een writersblock. Ook begon zijn gebrekkige gezondheid hem parten te spelen. Na een lange worsteling met zichzelf en de schrijvende pers vond Tavener de oplossing in een onverwachte hoek: de religie.

Hoewel afkomstig uit een protestants gezin, voelde John Tavener zich van jongs af aan aangetrokken tot de mysteriën van de rooms-katholieke kerk. Toch bracht ook deze Christelijke stroming het niet wat hij zocht. Na een lange zoektocht trad Tavener in 1977 toe tot de orthodoxe kerk. In de orthodoxe wijsheden voelde hij zich geborgen, en hun riten en mysteriën bleken een onuitputtelijke inspiratiebron voor zijn composities. Hij werd geen componist van liturgische muziek, hoewel bijna al zijn werken uit de periode 1977-2001 een religieus karakter hebben en tijdens een kerkdienst gezongen zouden kunnen worden. Zelf schreef hij daarover: “Ik heb nooit geprobeerd om hymnen te schrijven, maar eerder om uit te vinden wat die sfeer van berouw, nederigheid en zekerheid veroorzaakt, en ook de onschuld die de beste hymnen bezitten. Ik poog die sfeer over te nemen en probeer op een of andere manier beide elementen in mijn composities te verwerken.”

Taveners manier van componeren is intuïtief; hij maakt, naar eigen zeggen, geen gebruik van te ver uitgedachte systemen en structuren, zoals de modernisten. Ideale muziek is volgens Tavener muziek die rechtstreeks teruggrijpt op een hogere, door mensen vergeten ‘traditie’. Zijn muziek is echter niet systeem- of structuurloos. Geregeld maakt Tavener gebruik van de Byzantijnse modi en structuren, een “instinctieve overname van het klankbeeld”, aldus Tavener. Ook maakt hij gebruik van een ison; een lange, aangehouden toon die, tot grote ergernis van sommige bassen, soms een hele compositie klinkt. De ison staat vaak symbool voor Gods aanwezigheid. Het kwaad wordt daarentegen vaak uitgedrukt door een volledig opzijschuiven van ‘traditie’, bijvoorbeeld door een zeer theatraal gebruik van dodecafonie.

Afgezien van de invloeden uit de Byzantijnse en Russische orthodoxe muziek blijft John Tavener een componist uit de Engelse traditie. Hij maakt bijvoorbeeld gebruik van meerstemmigheid, iets wat in de Byzantijnse kerkmuziek uit den boze is. Vaak wordt de basis van een compositie gevormd door een ogenschijnlijk eenvoudige melodie. Deze melodie, of een omkering van de melodie (bijvoorbeeld een horizontale spiegeling) wordt soms unisono gebracht, begeleid door de ison. Soms ook klinken de oorspronkelijke melodie en de omkering of kreeft (van achter naar voren) gelijktijdig. Een grondige analyse van Taveners werk geeft echter geen antwoord op de vraag waarom zijn muziek zo effectief de beoogde emoties op weet te roepen.

Inmiddels heeft de orthodoxe kerk haar status van voornaamste inspiratiebron verloren. Sinds 2001 laat John Tavener zich vooral inspireren door de ‘universumfilosofie’ van de Zwitserse metafysicus Fritjhof Schuon, een filosofie die alle grote religieuze tradities omhelst. The veil of the temple, met teksten uit Islam en het Christendom, is een werk uit deze nieuwe periode. Het is gecomponeerd voor alle religieuze en niet religieuze mensen. The veil of the temple bestaat uit acht cycli en duurt ongeveer zeven uur; van zonsondergang tot zonsopgang.

De eerste cyclus opent met een duduk, een hoboachtig instrument, dat buiten de kerk geplaatst is. Een enkele stem roept de mensen naar de donker wordende kerk, slechts verlicht door een kaars. De eerste woorden zijn afkomstig uit een gedicht van Soefi-meester Jalâluddîn Runi, vertaald in het Engels:

Oh what was there in that candle’s light
You struck fire in my heart and I have been consumed.
Oh friend, come quickly. Nothing can help me but that beauty.
Once at dawn my heart was shattered by your sweet odour,
My soul heard something from your soul.
When my heart drank water from your spring
My heart drowned in you and was born again.

Vanaf het moment dat de luisteraars in de kerk zijn, worden alle verschillende ruimtes ervan in gebruik genomen. Vanuit het westen klinken de eerste woorden uit Genesis, die een beschrijving geven van de chaos. In het oosten antwoordt een stem: “Het Woord”, en geeft daarmee het begin van de schepping aan. Stap voor stap vormt zich het steeds terugkerende gebed: “Lord Jesus Christ, son of God, have mercy on us”.

Iedere cyclus is een op zichzelf staande compositie, maar samen vormen ze een gebed van de hele mensheid. De gebeden in verschillende talen keren in alle cycli terug, soms gezongen, soms gereciteerd. De intensiteit wordt opgebouwd tot aan de zevende cyclus. We horen de woorden van Paulus: “Door de doop worden we begraven bij Christus, zodat we met hem opnieuw tot leven kunnen komen. Als Christus verrijst, verrijst de mensheid met hem. Bij het scheppen van de mens, vertrouwde God ons de taak toe de Tempel te bouwen, en zelf zijn tempel te worden.” In de zevende cyclus zwelt de muziek aan tot een overweldigende hoeveelheid geluid, die zowel het eind als het begin aankondigt. Een wanhopige schreeuw klinkt: “Who will defend the holy Temple? Who will defend the Tomb of Christ? No one! The Temple is destroyed forever.”

Bij de vernietiging van de tempel lijken alle gebeden te verstommen. Even valt een doodse stilte. Dan komt langzaam de zon op, en terwijl het gebouw langzaam met licht wordt gevuld treed het kinderkoor binnen, in processie zingen ze de hymne “It was early in the morning …”. De hymne wordt overgenomen door de andere koren, totdat de hele ruimte weer gevuld is met de lofzang. Uiteindelijk stopt de hymne. In de stilte klinkt de eenzame stem van Maria Magdalena. Zij draait zich om in de lichter wordende kerk, ziet Jezus en herkent hem voor wat hij is: “Rabboni – Master…”.