Schumann – Fantasiestücke Opus 88

Robert Schumann schreef zijn eerste pianokwartet reeds op achttienjarige leeftijd. Hij studeerde toen rechten aan de Universiteit van Leipzig. Zijn kwartet, geschreven naar voorbeeld van composities van de zojuist overleden Schubert, zou voor lange tijd enige in zijn soort blijven, hoewel Schumann al spoedig zijn rechtenstudie vaarwel zei om zich volledig aan de muziek te kunnen wijden. Pas in 1842 pakte hij de draad weer op, en componeerde in een jaar zeven werken voor strijkers en piano. Een van deze werken was het Pianotrio in a klein, tegenwoordig bekend als Fantasiestücke opus 88.

De Fantasiestücke doen in de verte denken aan de latere pianotrio’s van Haydn. In de eerste delen loopt de baslijn van de piano vaak parallel aan de cellopartij. Over het algemeen domineert de piano. De vier Fantasiestücke zijn gecomponeerd voor een uitvoering door amateur-musici en vallen op door hun delicate eenvoud in vergelijking met Schumanns andere kamermuziek voor piano en strijkers.

De verschillende delen doen hun naam eer aan. Het volksliedachtige thema uit Romanze is eenvoudig, melancholiek, een vaag verlangen naar het onbekende. Hetzelfde thema keert terug in het eerste deel van Humoreske, maar dan pittiger. Het speelse ritme van dit derde deel vormt een aangenaam contrast met het zeer romantische Duett. De viool en cello bewegen zich om elkaar heen als twee stemmen in een liefdesduet. De piano heeft hier een puur begeleidende functie.

De Finale keert weer terug naar het mars-achtige ritme uit het tweede deel. Finale klinkt echter krachtiger, serieuzer. Dat dit allemaal slechts een illusie is, blijkt pas in de laatste maten. De muziek sterft langzaam weg, totdat er bijna niets meer te horen is. Dan, plotseling, volgt een explosie van energie waarmee de Fantasiestücke definitief worden afgesloten. Een klein grapje van de grote meester.